Leo Samama:
Olivier Messiaen ‑ Leven en
werk van een moderne Middeleeuwer
Met het overlijden van Olivier
Messiaen, in de nacht van 28 april 1992, na een operatie, is een uniek
componist heengegaan. Messiaen was de 'grand maitre' van de twintigste-eeuwse
muziek: een van de belangrijkste naoorlogse compositiedocenten, een bevlogen
theoreticus, een groot organist (vanaf 1930 'titulaire' van het grote orgel
van de Sainte Trinité in Parijs) en de componist van een oorspronkelijke,
onvervreemdbare, intense en kleurige muziek.
Vanaf
zijn eerste composities, uit het midden van de jaren twintig, heeft Messiaen
naar de waarheid van God in de hemel en God op aarde, in de natuur, gezocht.
Daarbij kwam als vanzelfsprekend een ander, stoffelijker zoeken: naar de
relatie tussen klank en kleur, ritme en tijd, oost en west. De kiem van dit
alles vormde een enkele droom: het mysterie van de trias God, mens en natuur
tot in zijn diepste wezen in een zo waarheidsgetrouw mogelijke muziek vast te
leggen. Zijn katholieke geloof, zijn liefde voor de natuur en zijn muzikale
scheppingen waren een. Daarom heeft hij in de ware zin van het woord ook nooit
iets uitgevonden. Hij kon 'domweg' niet anders componeren dan hij deed.
"Ik
heb het geluk Katholiek te zijn. Ik ben gelovig geboren en het schijnt dat
heilige teksten mij vanaf mijn vroegste jeugd bijzonder getroffen hebben. Een
aantal van mijn werken is dus voorbestemd theologische waarheden van het
Katholieke geloof in het licht te zetten. Dat is het belangrijkste aspect van
mijn oeuvre, het meest nobele en ongetwijfeld het meest nuttige en
waardevolle; het enige wellicht waar ik wanneer ik sterf geen spijt van zal
hebben."
Olivier
Messiaen had in ons land een groot aantal geestdriftige fans. In 1971 werd hem
de Erasmusprijs verleend, in 1981 organiseerde het Residentie Orkest een
geslaagde concertserie rond zijn werk, in 1986 was Messiaen gastdocent aan het
Koninklijk Conservatorium en in 1990/91 organiseerde de VARA een uitgebreide
serie rond zijn muziek. Ter gelegenheid van het bezoek van Olivier Messiaen
aan Den Haag, in 1986, schreef ik de volgende tekst over het leven en werk van
een man met wie ik vele jaren lang hartverwarmende gesprekken heb mogen
voeren. De oorspronkelijke tekst, verschenen in een speciale bundel onder
redactie van Ariane de Leeuw, heb ik op details aangepast.
I. La
jeune France
In 1936 sloten vier jonge Franse
muzikanten zich aaneen om gezamenlijk een vuist te maken in het Franse
muziekleven, dat, na de enthousiaste acties van de Groupe des Six in de jaren
twintig, inmiddels weer enigszins was ingeslapen. Onder patronage van Georges
Duhamel, François Mauriac en Paul Valéry presenteerden zij zich op 3 juni 1936
in de Salle Gaveau. De vier vrienden noemden zich 'La jeune France': André
Jolivet (1905‑74), Yves Baudrier (1906), Olivier Messiaen (1908) en
Daniel‑Lesur (1908). Tegenover Jolivet en Messiaen (Jolivet werd door de
overige drie juist vanwege zijn zo moderne taal er bijgehaald) waren Daniel‑Lesur
en Baudrier zeer gematigd, sterk traditie‑gebonden en soms zelfs wat
kleurloos in hun muziek. Baudrier was niettemin de grote denker van La jeune
France.
Zo
heeft Baudrier het aanvankelijke artistieke manifest van de groep opgesteld.
"Nu de levensomstandigheden steeds harder, mechanischer en onpersoonlijker
worden, moet de muziek onverwijld haar geestelijke kracht en edelmoedige
uitwerking naar hen toedragen, die van haar houden. La jeune France, die haar
naam aan Berlioz ontleent, volgt dezelfde weg die die grote meester indertijd
met zoveel inspanning bewandeld heeft.... De richtlijnen van deze groep zullen
van uitlopende aard zijn en komen slechts daarin met elkaar overeen dat zij
tezamen verlangen enkel genoegen te nemen met oprechtheid, edelmoedigheid en
kritisch bewustzijn." De slogan 'sincérité, génerosité, conscience' kwam
echter van Jolivet. Terugkeer naar het oermenselijke en verzet tegen het in hun
ogen zo cerebrale neoklassicisme van met name de tot Fransman genaturaliseerde
Rus Stravinsky.
La
jeune France was eigenlijk geen echte groep, minder nog dan voorheen de Groupe
des Six (Milhaud, Honegger, Poulenc, Auric, Tailleferre en Durey), die in de
beginjaren van hun bestaan hier en daar tenminste nog samengewerkt hebben.
Yves Baudrier en Daniel‑Lesur verdwenen snel naar de achtergrond; Daniel‑Lesur
was dertig jaar lang als docent voor contrapunt aan de Schola Cantorum
verbonden. Hun muziek mist vooral de kracht en originaliteit die Jolivet en
Messiaen juist zo bekend hebben gemaakt. Deze laatste twee waren in die jaren
onbetwist de meest progressieve componisten van Frankrijk; onvermoeibaar
zochten zij naar nieuwe middelen om hun muziek nog meer uitdrukkingskracht te
geven, om de humanitaire en godsdienstige waarden van hun muziek nog
ondubbelzinniger te doen gelden. Beide componisten hebben om dat te realiseren
hun aandacht gericht op de buiten‑Europese rituele muziek, met haar voor
het westen zeer complexe ritmiek.
Zo
heeft André Jolivet zijn leven lang geprobeerd de muziek haar oorspronkelijke
rituele functie weer terug te geven: opzwepend, bedwelmend, bezwerend en
angstaanjagend. Olivier Messiaen had gelijkluidende idealen, maar zocht
verder, zocht het hogerop, naar het goddelijke ritueel, naar de waarheid van
God in de hemel, God op aarde, in de natuur, maar ook naar de relatie tussen
klank en kleur, ritme en tijd, oost en west. "In mijn muziek vind je naast
elkaar het Katholieke geloof, de mythe van Tristan en Isolde en een verdoorgevoerd
gebruik van de gezangen van de vogels." En de kiem van dit alles vormt een
enkele droom: het mysterie van de trias God, mens en natuur tot in zijn diepste
wezen in een zo 'waarheids'‑getrouw mogelijke muziek vast te leggen.
Alles
omvattend is daarbij Messiaens roeping als componist: "Ik geloof inderdaad
dat een componist muziek schrijft omdat hij dat moet, omdat dat zijn roeping
is; hij doet het van nature, zoals een appelboom appels voortbrengt en een
rozenstruik rozen." Dat vaste geloof in alles wat hij doet en denkt,
spreekt onverbloemd uit al zijn muziek, maar ook uit zijn geschriften, zijn
lessen, ja, zijn gehele leven. Messiaens Katholieke geloof, zijn liefde voor de
natuur en zijn muzikale scheppingen zijn als het ware een. Daarom heeft
Messiaen in de ware zin van het woord ook nooit iets uitgevonden. Hij kan 'domweg'
niet anders componeren dan hij doet. Hij is geen chemicus maar een alchemist.
Hij bedrijft zwarte magie: het componeren van het ogenschijnlijk onmogelijke.
Het onmogelijke dat hem zozeer charmeert.
II. Jeugd
en bronnen
"De belangrijkste invloed
die ik heb ondergaan was die van mijn moeder. Een invloed die juist daarom zo
buitengewoon is omdat hij aan mijn geboorte vooraf gaat, aangezien mijn
moeder, de dichteres Cecile Sauvage, toen zij in verwachting was een prachtige
prematernale dichtbundel heeft geschreven, getiteld L'ame en bourgeon
('De geest in knop'). Deze lyrische verwachting werd gevolgd door een
sprookjesachtige opvoeding, met name tijdens de oorlog van 1914, toen mijn
vader en mijn oom in dienst waren en ik alleen met mijn moeder en grootmoeder
in Grenoble was. Gedurende heel die periode heeft mijn moeder mij ongetwijfeld
in een sfeer van poëzie en sprookjes opgevoed, hetgeen los van mijn muzikale
roeping, de kiem is geweest van alles wat ik later heb gedaan. Een dergelijke
sfeer ontwikkelt immers het voorstellingsvermogen van een kind op
ongelofelijke wijze en brengt hem ertoe zich op een onstoffelijke manier uit te
drukken, hetgeen in werkelijkheid slechts de muziek als resultaat kan hebben,
de meest onstoffelijke van alle kunsten." Overigens, de vader van Olivier
Messiaen was leraar Engels en heeft het complete oeuvre van Shakespeare in het
Frans vertaald; Messiaens zoon is leraar in de Russische taal‑ en
letterkunde.
Hoewel
Messiaen zelf nogal lakoniek deed over zijn eigen schreden op het pad van de
poëzie (de teksten voor zijn liederen en het libretto van de opera Saint
François d'Assise), is het poëtische vuur zowel in hem als nog meer in
zijn jongere broer Alain nooit gedoofd. Alain Messiaen heeft meer dan twintig
dichtbundels gepubliceerd, enkele proza‑geschriften en een twintigtal
delen uit de serie Le Cortège d'Euterpe, vers et prose sur la Musique.
Verreweg de meeste bundels staan in het teken van de muziek ("Mijn broer
is dichter en musicoloog"), maar we vinden in Messiaens gedichten ook
astrale (Galanteries astrales), cinematografische (Poésie de cinema
en Le Miroir de l'Ecran), religieuze (Chants oecumeniques) en
kunsthistorische (Les Trésors des Vitraux Bretons) onderwerpen. Kleur,
klank en beeld, muziek en geloof nemen in zijn oeuvre een minstens zo belangrijke
plaats in als in dat van zijn componerende broer.
Toen
Olivier Messiaen acht jaar oud was vroeg hij als kerstcadeautjes de partituren
van Mozarts opera's Don Giovanni en Die Zauberflöte, van Alceste
en Orfeo van Willibald von Gluck, van La Damnation de Faust van
Berlioz en Die Walküre en Siegfried van Wagner! En hij kreeg ze.
Deze werden zelfs nog eens aangevuld met de Estampes van Debussy en Gaspard
de la Nuit van Ravel. En tenslotte, als klap op zijn artistieke vuurpijl,
kreeg Messiaen de partituur van de opera Pelléas et Mélisande van
Debussy. "Deze partituur had op mij het effect van een bliksemslag, van
een openbaring; ik heb deze muziek onophoudelijk gezongen, gespeeld en opnieuw
gezongen. Deze partituur heeft waarschijnlijk de meest beslissende invloed op
mij uitgeoefend." De genoemde partituren kunnen we zonder meer als
'bronnen' voor Messiaens muziek aanwijzen, aangevuld met de late werken van
Skrjabin (op grond van synesthesie en mystiek), de Boris Godoenow van
Moessorgsky en de muziek van zijn leermeesters aan het conservatorium.
In
1919 werd de vader van Messiaen als leraar aangesteld aan het Lycée Charlemagne
in Parijs. Olivier studeerde van dat jaar tot 1930 in Parijs aan het conservatorium.
Orgel bij Marcel Dupré ("toevallig, omdat ik goed kon improviseren, ben
ik bij Dupré terecht gekomen"), compositie bij Maurice Emmanuel en Paul
Dukas. Deze drie leraren hebben hem in meerdere opzichten gevormd. Van Dupré,
de grote organist, zelf een uitstekend componist en leerling van Widor, leerde
Messiaen de kern van het Katholieke geloof zowel liturgisch‑praktisch
als esthetisch‑symbolisch in klank vast te leggen. Maurice Emmanuel
maakte Messiaen wegwijs in de Aziatische muziek en de belangrijke rol van het
ritme daarin. Paul Dukas ‑ en dan niet van de overbekende Tovenaarsleerling,
maar van de latere, strenge composities met hun dwingende vormkracht ‑
heeft Messiaen bewust gemaakt van de in een geslaagde compositie zo
noodzakelijke eenheid tussen impuls en intellect, tussen creatieve inspiratie
en technisch vakmanschap, tussen hoofd en hart.
De
invloed van Stravinsky beperkt zich tot de werken van voor Stravinsky's bekering
tot het neoklassicisme, en dan nog voornamelijk tot de Sacre du printemps,
een partituur die Messiaen sinds 1930 aan een diepgaande ritmische analyse
heeft onderworpen, en tot Les noces, zoals overduidelijk uit de laatste
van de Trois petites liturgies blijkt. Opvallend is voorts dat bij die
eerste muzikale indrukken de opera zo'n grote rol heeft gespeeld, terwijl
Messiaen pas een kleine zestig jaar later als componist voor dit genre
belangstelling kreeg en dan nog in verkapte zin: een echte opera kan men Saint
François d'Assise niet noemen. Messiaen zelf verkoos terecht de indicatie
'Franciscaanse scènes'.
Wat
de muziek van Gluck, Mozart, Berlioz en Wagner met elkaar gemeen hebben, is hun
uitgesproken dramatiek. Berlioz en Wagner zijn bovendien orkestvirtuozen van
de eerste orde geweest, meesters van het orkestrale en harmonische
kleurenpalet. Messiaen weet zich bij hen in goed gezelschap. De partituren van
Debussy, Ravel en Skrjabin hebben Messiaen ongetwijfeld bevestigd in zijn
zoeken naar een geheel eigen klankkleur, waarbij de relatie tussen klank en
kleur voor de synestheticus Messiaen van meet af aan een wezenlijke rol
gespeeld heeft. Wagner, Debussy en Skrjabin hebben evenals Messiaen de mystiek
nimmer geschuwd, zij het vanuit totaal tegenovergestelde visies. In de jaren
twintig, na de eerste uitvoering van L'homme et son désir op muziek van
Darius Milhaud, raakte de jonge Messiaen in de ban van de mystieke dichter
Paul Claudel. Ravels Gaspard de la nuit geldt als een van de meest
virtuoze werken voor piano, hetgeen bij Messiaen is terug te vinden in
bijvoorbeeld de Vingt regards sur l'enfant Jésus en de razend lastige Catalogue
d'oiseaux.
Tenslotte
kunnen we nog een aantal indirecte invloeden noemen. Messiaen is immers altijd
een uitermate leergierig componist geweest, bovendien een analyseleraar die
geen stijlperiode, geen techniek, geen esthetische richting uit de weg is
gegaan. Dat hij zijn jeugdliefdes, Debussy, Mozart en Berlioz, altijd trouw is
gebleven neemt niet weg, dat vele tientallen oude en nieuwe composities zich
met kleine weerhaakjes in zijn bewustzijn hebben vastgezet. Messiaen heeft
altijd opengestaan voor de nieuwste ontwikkelingen aan het muzikale front.
Weerspiegelingen daarvan vinden we meer dan eens in zijn eigen muziek terug,
van zijn gebruik van de Ondes Martenot en een enkele experiment op het terrein
van de elektronische muziek tot onderzoekingen met klankkleuren in het
verlengde van Varèse en met klankvlakken in het verlengde van Xenakis.
Kortom,
Messiaens oeuvre is tot en met recente werken als Saint François d'Assise
en het Livre du Saint Sacrement stevig geworteld in de traditie van de
Franse liedkunst van met name Debussy en de orgelschool van Vierne, Tournemire
en Dupré, van de Frans‑Duitse orkestrale virtuositeit en Mozarts melodische
en ritmische flexibiliteit, van het Gregoriaans en de zo typisch westerse
vocale polyfonie uit de Renaissance. En ook zijn literaire bronnen zijn in de
eerste plaats van westerse, voornamelijk Katholieke oorsprong: van de gedichten
van de Heilige Catherina van Siena, Thomas van Aquino en Jan van Ruusbroec tot
filosofisch‑mystieke dichters als Ernest Hello en Paul Claudel, van de Fioretti
van Sint Franciscus van Assisi tot de theologische geschriften van Don Columba
Marmion, Thomas Merton en Urs von Balthasar. En met daarnaast, even vanzelfsprekend,
Tristan et Yseult als symbool voor de fatale, alles verterende liefde,
hoewel ook deze 'menselijke' liefde slechts een vage weerspiegeling is van de
enige ware liefde, de goddelijke liefde.
III.
Musicus theologicus
Olivier Messiaen werd in 1930
'titulaire' van het grote orgel van de Sainte Trinité in Parijs. Ruim veertig
jaar lang heeft hij deze functie met groot plichtsgevoel vervuld. Wanneer hij
tussen zijn vele wereldomvattende reizen in Parijs was, placht hij als bijna tachtig-jarige
nog steeds bij tijd en wijle de dienst te begeleiden.
In
een interview met de auteur merkte Messiaen over zijn loopbaan als organist onder
meer het volgende op: "Het orgelspel is een van mijn werkzaamheden als
musicus, hoe essentieel voor mij ook als gelovig Katholiek. Ik ben bovendien
niet in eerste instantie als organist opgeleid, maar als pianist en componist.
Als kind heb ik in Grenoble mezelf muziek geleerd. Toen ben ik ook begonnen met
piano spelen en met componeren. Na de oorlog van 1914/18 werd mijn vader in
Parijs benoemd en kon ik naar het Conservatorium van Parijs gaan. Ik was toen
elf jaar"
"Daar
heb ik het handwerk geleerd: harmonie, contrapunt, notatie, van blad lezen,
begeleiden en compositie. Mijn leraar voor harmonieleer vond dat ik aanleg had
voor de improvisatie. Daardoor werd ik aan Marcel Duprè voorgesteld en ben ik
orgel gaan spelen. Ik ben dus geen organist geworden omdat ik Katholiek ben.
In het geheel niet. Maar omdat ik aanleg voor het improviseren had. Vrijwel
direct na mijn studie werd ik aan de Trinité in Parijs benoemd. En daar speel
ik 's zondags nog steeds. Tenminste als ik thuis ben. Omdat het orgel zozeer
mijn instrument was geworden, heb ik er wel veel voor geschreven. Maar de
piano had mijn voorkeur."
En
in een ander vraaggesprek: "Ik heb dat drie en dertig jaar lang zeer
regelmatig en bijzonder serieus gedaan. Elke zondag verzorgde ik drie missen en
de vespers, vaak ook, in de loop van de week, dodenmissen en huwelijken. Ik heb
dat enkele jaren moeten onderbreken omdat mijn orgel op last van de gemeente
Parijs gerestaureerd moest worden. Maar direct daarna heb ik mijn werk weer
hervat... Ondanks de verschillende pastores die elkaar in de Trinité zijn
opgevolgd, waren mijn diensten tamelijk keurig ingedeeld: tijdens de hoogmis
op zondag speelde ik slechts gregoriaanse gezangen, al dan niet naar de
omstandigheden voorzien van akkoorden; tijdens de mis om elf uur: klassieke en
romantische muziek; tijdens de mis om twaalf uur mocht ik op zondagen altijd
mijn eigen werken spelen; en tenslotte moest ik tijdens de verspers om vijf uur
's middags improviseren, omdat de kortheid van de verzen het niet toeliet om
tussen de psalmen en tijdens het magnificat complete composities te
spelen."
De
kerk en het geloof, beter: het Katholieke geloof, staan in het werk van
Messiaen centraal, zelfs waar hij zich met wereldser zaken als de Liefde bezighoudt.
"Ik heb het geluk Katholiek te zijn. Ik ben gelovig geboren en het schijnt
dat heilige teksten mij vanaf mijn vroegste jeugd bijzonder getroffen hebben.
Een aantal van mijn werken is dus voorbestemd theologische waarheden van het
Katholieke geloof in het licht te zetten. Dat is het belangrijkste aspect van
mijn oeuvre, het meest nobele en ongetwijfeld het meest nuttige en waardevolle;
het enige wellicht waar ik wanneer ik sterf geen spijt van zal hebben. Maar ik
ben een mens en zoals alle mensen ben ik gevoelig voor de menselijke liefde,
waaraan ik in drie composities uitdrukking heb willen geven door gebruik te
maken van de grootste mythe over de menselijke liefde, het verhaal van Tristan
en Isolde." Messiaen doelt hier op de liederencyclus Harawi, de Turangalîla‑symphonie
en de Cinq rechants voor koor a cappella.
Het
is dan ook niet zo verwonderlijk dat Olivier Messiaen zijn muziek in de eerste
plaats aan de waarheid van het geloof heeft gewijd. Het gaat hem vooral
om theologische visies, op de Geboorte van Jesus (La nativité du Seigneur),
op het kindeke Jesus en de aan hem verbonden heilige personen (Vingt regards
sur l'enfant Jésus), op de goddelijke beschikking (Visions de l'amen)
en het Heilige Sacrement (Livre du Saint Sacrement). Daarnaast vinden
we ook theologische beschouwingen als Les corps glorieux, Couleurs de
la cité céleste en Méditations sur le mystère de la Sainte Trinité.
Tot de Tweede Wereldoorlog was Messiaen in de eerste plaats een kerkmusicus,
die enige opzien had gebaard met meer 'wereldijke', dat wil zeggen voor de
concertzaal bedoelde werken als Les offrandes oubliées, de Hymne,
L'ascension en de Poèmes pour Mi. Pas toen het Quatuor pour la
fin du temps een grotere bekendheid kreeg, na 1945, kwamen de twee kanten
van Messiaens kunstenaarsschap volledig aan het licht.
Messiaens
houding als 'musicus theologicus' werd grotendeels gekenmerkt door zijn
positivisme, zijn optimistische kijk op het geloven en het belijden. Voor hem
geen hel en verdoemenis, maar bovenal het feest van het geloven, de stralende
almacht van God, de zaligheid van de opstanding en de hemelse vrijheid, de oogverblindende
hemelse stad, de wonderbaarlijke visioenen van Sint Franciscus. Zelfs de
'verschrikkelijke' kant van het geloven, van de 'schrikbarende' verschijning
van Christus, van de almacht van God, van het lijden van Christus werd door
Messiaen uitsluitend vanuit een positivistisch oogpunt bezien. Sidderen van
verrukking was bij hem geen loze kreet. En steeds weer schiep de componist
afgronden en onoverbrugbare rotswanden van geluid. Zijn muziek is als het ware
een klinkende gelijkenis (in filosifisch‑theologische zin) van de
schrikbarende alomtegenwoordigheid van God. Gitzwarte momenten in zijn
partituren dienen om de stralende nog oogverblindender uit te laten komen.
Vooral Et expecto ressurectionem mortuorum, La transfiguration de
Notre Seigneur Jésus‑Christ en in Saint François d'Assise de
scene waarin Franciscus de stigmata ontvangt, bezitten passages waarvan de
muziek inderdaad 'verschrikkelijk' is.
In
het verlengde van Messiaens 'theologische' composities staan niet alleen de
'liefdesepistels' maar ook de natuurevocaties; hoewel dat laatste woord
slechts ten dele weergeeft waar het de componist allemaal om begonnen is. In
feite heeft Messiaen geen ander doel nagestreefd dan een halve eeuw eerder
Debussy, namelijk de waarheid van de natuur in muziek vast te leggen. Niet als
een vakantiefoto of getrouwe reproductie, maar de muziek als een weerspiegeling
van de natuur. De patronen van de natuur in patronen van klank; de symbolen in
de natuur in muzikale symbolen; de natuurlijke tijd in een muzikale tijd. Maar
Messiaen is ook een wezenlijke stap verder gegaan dan Debussy. Voor Messiaen is
de natuur op haar beurt een weerspiegeling van God. We luisteren in Messiaens
muziek als het ware via de natuur naar het goddelijke. Messiaens landschaps‑
en vogelcomposities zijn dus in feite ook theologische werken, maar in de vorm
van een parabel. Alles is dus terug te voeren tot Messiaens geloof, tot zijn
Katholieke geloofsovertuiging.
IV.
Mystiek
Muziek als klinkende belijdenis.
Hieraan kunnen we Messiaens hang naar mystiek toevoegen, zijn behoefte de
waarheid van het Katholicisme te verdiepen door en te verbinden aan
verschillende oosterse filosofieën. Daarbij werd hij op buitenmuzikaal terrein
vooral getroffen door de kleurige en geurige sprookjessfeer die in Perzië,
India en menig ander oosters land zozeer met het geloven is verweven. In feite
is Messiaens houding ten opzichte van het Verre Oosten bepaald minder
filosofisch gefundeerd dan hij altijd pretendeerde. Met name in Frankrijk heeft
de charme van het exotisme door de eeuwen heen een grote aantrekkingskracht
uitgeoefend. Vanaf de vroege 19e eeuw werden vele kunstenaars geïnspireerd
door de duistere rimboe van Afrika, de mystiek van India, China, Cambodja en
Vietnam en de felle woestheid van het Amazonegebied en haar inboorlingen. In
geen land worden zoveel stripverhalen gemaakt die in 'exotische' entourages
afspelen als in Frankrijk, in menig Frans huishouden staat een rotan 'Emanuelle‑stoel'
en Mata‑Hari had niet voor niets juist in Frankrijk zoveel succes.
In
zijn muzikale opvattingen ten aanzien van het oosten is Messiaen dan ook nimmer
veel verder gegaan dan oprecht exotisme. Al hebben de vele oosterse ritmische
formules zijn muziek nog zo verlevendigd, oosterse muziek in welke zin van het
woord dan ook heeft hij nooit geschreven. Het Verre Oosten dient slechts als
toegevoegde kleur, voor de bewieroking van de in de kern weliswaar oosterse
maar in de loop van eeuwen toch onomkeerbaar verwesterlijkte Katholieke
mystiek. Messiaens gevoel voor oosterse mystiek staat dus op één lijn met zijn
behoefte aan Katholieke mystiek, oftewel zijn wens het ongrijpbare, dat wat
niet beredeneerd kan worden, in klank te vatten. Niet alleen de 'onmetelijke' Turangalîla‑symphonie
en de liederencyclus Harawi geven daar ondubbelzinnig uiting aan, maar
ook de lengte van zijn vele religieuze werken, waaronder Le banquet céleste,
Apparition de l'église éternelle, La nativité du Seigneur, Les
corps glorieux, de Trois petites liturgies de la Présence Divine, de
opera Saint François d'Assise en het Livre du Saint Sacrement.
Muziek
kent immers haar eigen tijd, zoals ook het mysterie van God zijn eigen tijd
heeft. In dat opzicht is alle muziek goddelijk. Bij Messiaen geldt dat zelfs in
zeer hoge mate doordat hij ook bewust geprobeerd heeft de omkeerbare en de
onomkeerbare tijd tegen elkaar uit te spelen. "Om te beginnen houd ik van
de Tijd, omdat het het uitgangspunt is van de gehele Schepping. De Tijd
veronderstelt verandering (dus de materie) en beweging (dus de ruimte en het
leven). De Tijd doet ons de Eeuwigheid begrijpen door de tegenstelling."
Messiaen zet de tijd dus niet naar zijn hand, maar tracht ook van de tijd een
gelijkenis, een weerspiegeling te maken van de goddelijke tijd, de tijd van
voor en van na de schepping. Dit kan niet zonder mystiek gepaard gaan. De tijd
is niet alleen voor de gelovige een mystieke ervaring, zeker de zo geheel eigen
tijd van muziek, zeker de tijd van Messiaens muziek. Het opvallende daarbij is
dat ondanks al het geponeerde mysticisme, ondanks alle bewust gehanteerde
oriëntalismen, Messiaen inderdaad in staat is geweest het ongrijpbare en onberedeneerbare
aanvaardbaar te verklanken, ja zelfs klinkend tastbaar te maken.
V. Het
Verre Oosten en het Ritme
Maurice Emmanuel maakte Messiaen
wegwijs in de Aziatische muziek en de belangrijke rol van het ritme daarin.
Emmanuel had zijn kennis daaromtrent in diverse composities tot klinken
gebracht (niet alleen een sonatine op Hindoe‑ritmen, maar ook al voor
1900 een Sonatine pastorale, gebaseerd op vogelgeluiden...) en schreef
verscheidene belangwekkende artikelen over de Griekse metriek en het ritme in
de Indiase muziek. Messiaen ging daarop verder, zowel theoretisch als
praktisch. Hij noemde zichzelf niet geheel zonder trots en eigendunk
'ornitholoog en ritmicus'. "Ik beschouw het ritme als de belangrijkste,
misschien zelfs meest wezenlijke onderdeel van de muziek. Ik geloof dat het ritme
naar alle waarschijnlijkheid al voor de melodie en de harmonie heeft bestaan.
Ik heb tenslotte een stille voorkeur voor dit element, en dat destemeer omdat
het, lijkt me, mijn intrede in de hedendaagse muziek heeft bepaald."
Onder
leiding van Dupré en Emmanuel bestudeerde Messiaen eerst de Griekse metriek en
vervolgens de ritmiek in de oude Indiase muziek. "De ritmen in India heten
'decî‑tala's' van tala: ritme en decî: provinciaal ritme. Dat wil zeggen
dat decî‑tala's 'ritmen uit verschillende provincies' betekent. Wij
kennen deze zeer oude ritmen door een traktaat uit de 13e eeuw, geschreven door
Sarngadeva... De decî‑tala's die door Sarngadeva in de Samgita‑ratnakara,
een werk met de pretentieuze titel 'Oceaan van de muziek', genoemd worden, bevinden
zich vooral in het hoofdstuk over de tala's, de ritmen. Het zijn er honderd en
twintig. Ik geloof dat ze door bepaalde Brahmanen en in bepaalde kasten nog
steeds gebruikt worden. Maar de Hindoe‑ muziek die je tegenwoordig kan
horen is, ondanks de virtuositeit van haar raga's, de schoonheid van haar symbolen,
modi en ritmen, toch tamelijk ver verwijderd van de hoogst bijzondere 120 decî‑tala's
die zonder meer de top vormen van wat de Hindoe's, ja de gehele mensheid op
ritmisch gebied geschapen heeft."
Een
belangrijk resultaat van Messiaens ritmische onderzoekingen is dat hij door
zijn kennis van de decî‑tala's met niet‑omkeerbare ritmische
reeksen heeft geëxperimenteerd, dus met reeksen toonduren die van voren naar
achter gelezen gelijk zijn als van achter naar voren. Wat Messiaen ritmische
symmetrie noemt. "We hebben dergelijke ritmen in ons zelf: ons gezicht met
twee 'symmetrisch' geplaatste ogen, twee symmetrische oren, de neus in het
midden; onze handen omgekeerd met hun tegenovergestelde duimen, onze armen en
het borststuk in het midden. De boom van ons zenuwstelsel met al zijn symmetrische
vertakkingen: het zijn allemaal niet‑omkeerbare ritmen." Bovendien
werd Messiaen zich door de confrontatie met de Indiase muziek sterker bewust
van de starheid van de westerse muziek, zeker sinds de 17e eeuw. De
oplossingen die Messiaen voor dit probleem heeft aangedragen zijn uniek in de
westerse muziek: ten eerste het gebruik van de bovengenoemde decî‑tala's,
ten tweede toepassing van 'valeurs ajoutées' (de zogenaamde toegevoegde
waarde: zeer kleine notenwaarden worden aan veel grotere toegevoegd) en
tenslotte het verwerken van de antieke Griekse metra.
Overigens,
Messiaen kwam niet alleen via Dupré en Emmanuel tot de studie van de Griekse
metra. Hij las Sophocles, Aeschylos, Pindaros en Sappho en analyseerde bijvoorbeeld
het werk van de 16e‑eeuwse componist Claude Le Jeune, met name diens
chanson Printemps, "een van de mooiste ritmische monumenten uit de
gehele muziekgeschiedenis op een bewonderenswaardig gedicht van Antoine de
Baif". "Le Jeune en Baif hebben geprobeerd het Griekse metrum weer
tot leven te roepen; de koren van Printemps maken vrijwel uitsluitend
gebruik van Griekse metra, met name de Ionicus a minore, dat wil zeggen een
ritme in zessen (kort, kort, lang, lang). Nu, het interessante van dit metrum
is de aanwezigheid van de 'anaklasis'; de 'anaklasis' ‑ herinnert U zich
nog Penderecki's 'Anaklasis' ‑
bestaat uit een permutatie van de korte en lange waarden van een ritme,
echter niet in het midden van het ritme, maar op de kruising van de ritmische
groepen; stelt U zich een 'trimetrum ionicus a minore' voor (dus drie maal een
ionicus a minore): wanneer men nu het slot van de tweede ionicus en het begin
van de derde permuteert dan zult U de echte ionicus a minore slechts aan het
begin te horen krijgen ‑ en het resultaat
daarvan is: een ionicus a minore, de derde peon en de tweede epititrus,
oftewel: kort, kort, lang, lang ‑ vervolgens kort, kort, lang, kort ‑
tenslotte lange, kort,lang, lang. De 'anaklasis' zorgt voor een verstoring in
de opeenvolging van waarden die de luisteraar van zijn stuk brengt. Het is
werkelijk een zeer 'moderne' structuur die aan een helse machine doet denken
die op de zo rustige ritmen is losgelaten."
Het
aardige van een dergelijke uitleg ‑ en Messiaen spreekt hier dus nog
steeds over Printemps van Claude Le Jeune ‑ is dat de componist
Messiaen op exact dezelfde manier aan het werk ging met Indiase ritmen, met
reeksen, met modi en elk ander materiaal dat hij onder handen nam. Messiaen
slaat hier als het ware een brug van de oude Grieken, via de late Renaissance
naar de twintigste eeuw. Zijn muziek haakt in op een in onze tijd reeds lang
vergane rol van de muziek, namelijk de onherroepelijke noodzaak van haar
aanwezigheid als weerslag van de orde in de wereld, in dit geval de Christelijke
wereld. Messiaens muziek lonkt naar de aloude ethos‑leer. Muziek, die
haar waarde ontleent aan wat zij voorstelt, aan haar symbolen, en niet aan haar
al of niet vermeende schoonheid.
VI. Modi
en structuur
Bijna alle composities van
Messiaen getuigen van zijn baanbrekende toepassing van ritmische formules en
systemen. Niet alleen de Indiase muziek en de antieke Griekse metra, maar ook
het gregoriaans, de isoritmische motetten uit de 14e en vroege 15e eeuw en
zelfs Stravinsky's Sacre du printemps hebben hem tot een nieuwe
benadering van de ritmiek gebracht, een benadering waarin overigens mystiek en
theorie nauw verweven zijn met het diepste wezen van de muziek zelf. Hetzelfde
geldt voor de toonreeksen of modi die aan de muziek van Messiaen ten grondslag
liggen. In eerste instantie zijn deze door Messiaen ontwikkeld in verband met
hun specifieke, individuele eigenschappen, hun klankkleur en voor Messiaen ook
hun reële kleur. Opnieuw gaat het hier niet om een uitvinding. De componist
Olivier Messiaen zou niet anders kunnen componeren dan hij deed, dan in 'geuren
en kleuren', en om de juiste kleuren te kunnen projecteren had hij toonreeksen
nodig die voor die kleuren staan.
We
hebben het inmiddels verscheidene keren over Messiaens 'kleuren' gehad.
Messiaens modi komen immers grotendeels voort uit zijn syntesthetische
gevoeligheid, waarbij kleur en klank onlosmakelijk bij elkaar horen. Akkoorden
en toonreeksen ervaarde Messiaen als vaak zeer complexe kleurstellingen.
"De tweede modus draait rond bepaalde violetten, bepaalde blauwen en een
violet getint purper; terwijl de derde modus overeenkomt met een soort oranje
met rode en groene pigmentvormingen, sporen goud en ook een melkachtig wit met
een parelmoerglans, zoals opalen hebben." Wie dit leest denkt zeker aan de
kleuren in Indiase heiligdommen of aan de in onze ogen kitscherige uitstallingen
in oosters georiënteerde winkels of marktkraampjes, of aan de kleuren van het
schilderij 'Kind met traan' en zeker aan allerhande Katholieke trivialia in
Italiaanse of Spaanse kiosken. Voor Messiaen was zijn kleurenbeleving ‑
want hij beleefde deze inderdaad zeer direct ‑ echter geen verbeelding.
De kleuren zijn levensecht aan de klanken verbonden.
Zo
heeft hij eens in een vijftal lezingen voor de Franse televisie en radio aan de
hand van de Cinq rechants maat voor maat, soms zelfs akkoord voor
akkoord, uitgelegd welke kleuren hem bij het componeren voor ogen stonden,
kleuren die hij nog steeds in al hun levendigheid ervaart. En zo heeft hij in
wezen talrijke muzikale schilderingen geschapen: vogels in hun natuurlijke
omgeving, van uur tot uur, als een impressionistische schilder (soms ook als
een tekenaar van schoolplaten), inclusief de ochtendnevel en de ondergaande
zon, zoals in de Catalogue d'oiseaux. Zelfs al zal niemand hetzelfde horen,
laat staan hetzelfde zien, toch opent deze benadering van het tonenmateriaal
een schier onuitputtelijke bron van harmonische kleuren. Tevens krijgt het
akkoord hierdoor een even zelfstandige functie als het ritme en bovendien een
extra rol toegemeten, namelijk niet alleen als drager van klankkleuren, maar
ook als drager van visuele of te visualiseren kleuren. Debussy en vooral
Skrjabin hebben met soortgelijke ideeën gewerkt, waren bekend met het fenomeen
van de synesthesie. Voor Skrjabin gold daarbij voornamelijk de mystieke
verhouding van toon(soort) en kleur. Evenals Debussy zocht Messiaen het
dichter bij huis; hij schilderde de waarheid, voor hem de waarheid van de natuur,
het leven, de liefde en het geloof.
Dat
Olivier Messiaen tot het ontwikkelen van een zo veelzijdig en karakteristiek
modaal systeem is gekomen, kan dan ook niet afgedaan worden als uitsluitend het
resultaat van een individuele zoektocht. Bovendien hebben modale systemen in
Frankrijk al sinds het begin van de 19e eeuw (en in Rusland sinds het midden
van de eeuw ‑ met name Moessorgsky) een veel grotere rol gespeeld dan in
bijvoorbeeld Duitsland of Italië. En hoewel met name Debussy menig theoreticus
rond 1890 voor de voeten heeft gestoten met zijn benadering van het akkoord
als zelfstandig klankfenomeen en met tonenreeksen, modi, als klankkleuren (en
daarin is hij een van de belangrijkste voorlopers van Messiaen), kon ook hij al
op een zekere traditie terugvallen. Bovendien was Debussy zeker niet de enige
toonkunstenaar die rond 1900 naar oplossingen zocht om de fuik van het tonale
systeem te ontlopen. Ferruccio Busoni bracht het een en ander twee jaar voor de
geboorte van Messiaen al in zijn Entwurf einer neuen Aesthetik der Tonkunst
als volgt onder woorden:
"We
hebben het oktaaf in twaalf gelijke delen verdeeld, omdat we ons op de een of
andere manier moesten behelpen, en hebben onze instrumenten zo ingericht, dat
we daar niet meer omheen, doorheen of overheen kunnen. De toetsinstrumenten
hebben onze oren immers danig 'getraind', zodat we niet meer in staat zijn
anders te horen ‑ behalve dan in de zin van onzuiverheid. En de natuur
zorgde juist voor oneindig veel nuances ‑ oneindig veel! Wie weet dat
tegenwoordig nog? En binnen dat twaalfledige oktaaf hebben we dan nog een
opeenvolging van vastgestelde intervallen afgescheiden, een opeenvolging van
zeven in totaal, en daarop hebben we onze hele toonkunst gebaseerd. Wat zei ik,
een opeenvolging? Twee daarvan zijn de grote en kleine tertstoonladder... We
leren dan wel vierentwintigtoonsoorten, twaalf maal beide zeventoonsreeeksen,
maar we beschikken inderdaad slechts over twee: de grote tertstoonladder en de
kleine tertstoonladder. Alle andere zijn slechts transposities."
"Ik
geloof dat de grote en kleine tertstoonladder en de transposities hiervan, dat
het systeem met twaalf halve toonafstanden, een geval is van achtergebleven
gebied... Ik heb eens geprobeerd alle mogelijkheden om de rij van zeven te
ordenen bij elkaar te zetten en het lukte me door het verlagen en verhogen van
intervallen honderd en dertien verschillende toonladders te maken... Een hele
reeks nieuwe toonsoorten met elk een geheel eigen karakter. En daarmee is deze
schat nog niet uitgeput, want ons staat ook nog eens de transpositie van elk
van deze honderd en dertien ter beschikking en bovendien de vermenging van
twee ervan (en waarom niet meerdere?) in harmonie en melodie." Is het
niet alsof we Messiaen citeren in plaats van Busoni?
Messiaens
onderzoekingen op dit gebied lagen dan ook evenzeer in het verlengde van
Busoni's uitspraken als Schönbergs experimenten met toonopeenvolgingen in
twaalftoonreeksen. Messiaen is evenwel nooit zover gegaan dat hij zich
beperkte tot precies de twaalf tonen van de chromatische ladder. Bovendien
heeft hij bij de toepassing van zijn modi in eerste instantie nooit echt
atonale muziek geschreven en ook niet willen schrijven, tenzij de 'kleur'
ervan hem aanstond... Enige overeenkomst tussen de technieken van Messiaen en
Schönberg zijn dan ook ver gezocht en vanuit het wezen van beider werk niet aan
te tonen, uiteindelijk zelfs irrelevant. Door het streng theoretische fundament
van zijn modi, onder andere vastgelegd in het boeiende traktaat Technique de
mon langage musical (1944), heeft Messiaen in zijn meest geavanceerde
composities, de Quatre études de rythme (1949) en het tweede Pièce en
trio uit het Livre pour orgue (1951), eerder raakvlakken met de muziek
van Anton Webern.
In
de genoemde vier etudes en vooral in de meest bekende van het viertal, de Mode
de valeurs et d'intensités, is de zelfstandigheid van de toonhoogte,
toonduur en klankkleur zelfs zover doorgevoerd dat ongewild de kiem voor een
verdere stap in de reeksenorganisatie vanuit de dodecafonie gezet kon worden:
de seriële muziek. Zo komt het dat de muziekgeschiedenisboeken altijd weer zo
mooi een rechte lijn weten te trekken van Schönberg, via Webern en Messiaen
naar Boulez en Stockhausen. Dat Messiaen en Boulez minstens zo veel, zo niet
veel meer aan Debussy te danken hebben, heeft men lange tijd graag over het
hoofd gezien. Messiaen heeft zijn seriële uitstapje overigens nooit verder
willen doorzetten. Zelfs in die vier etudes is hij alles behalve dogmatisch.
Het ging hem om de organisatie van materiaal dat uiteindelijk tot een grootser,
kleuriger doel moest leiden.
Zijn
toenmalige leerlingen Pierre Boulez, Karel Goeyvaerts en Karlheinz Stockhausen
volgden hun meester echter naarstig op de nieuwe weg, die hij zelf weer even
snel verlaten had. De Mode de valeurs et d'intensités was voor Messiaen
nooit meer dan een etude: "Ach ja, een etude en meer ook niet. Een klein
en beroemd stukje met een groot historisch belang. Maar niets bijzonders. In
die tijd waren de jonge serialisten uitsluitend bezig met reeksen van
toonhoogten. Maar volgens mij zijn er niet alleen tonen, maar ook dynamieken,
tijdsduren, attaques, timbres, en zo voorts. En om het gebruik van al die andere
parameters aan te tonen, dat die als het er op aan komt ook in reeksen gezet
kunnen worden, heb ik dat stukje geschreven. Een modus van waarden en
intensiteiten. Voor mij stelt het verder niets voor. In verschillende andere
werken heb ik daarna dergelijke technieken opnieuw gebruikt, in sommige
vogelstukken en ook in Saint François d'Assise. Maar ik heb er niet meer
over gesproken. Dus heeft men het ook niet opgemerkt. In Saint François
d'Assise is het nog slechts een middel voor een hoger doel."
Messiaen
besefte de beperktheid van het nieuwe materiaal ‑ meer het materiaal dan
de manier van organiseren. Toch heeft hij zijn pupillen altijd met veel vuur
gesteund en gestimuleerd hun speurtochten over de weg van het onmogelijke
voort te zetten. Een enkele maal is ook Messiaen zelf in zijn geliefde 'charme
d'impossibilité', de charme van het onmogelijke, verstrikt geraakt. Niet dat
hij in een dergelijk geval te dogmatisch, te berekenend te werk is gegaan ‑
immers Messiaens berekeningen zijn altijd ondergeschikt aan een hogere, ideële
en ethische organisatie van zijn muziek ‑; in de vogelconcerten,
namelijk, heeft hij zich niet altijd aan deze zijde van de grens tussen de
klinkende en hoorbare realiteit en 'wishful thinking' kunnen ophouden. Dan wil
hij zoveel tegelijk in zijn structurele web vangen (niet alleen vele vogels,
maar ook allerhande harmonische, melodische en instrumentale kleurnuances,
ritmische formules en buitenmuzikale symbolen) dat het resultaat veel begint
te lijken op de 'schrikbarende' verschijning van de Almachtige. Kortom, teveel
van het goede.
Maar,
het moet gezegd worden, iets dergelijks gebeurt zelden, en dan nog, zoals in de
vogelconcerten in de zesde scène van Saint François d'Assise, met zoveel overtuiging dat het niet echt
stoort, hooguit de luisteraar snel vermoeit, zeker waar het omliggende
materiaal zo tegengesteld, zo alleen maar kleurig monodisch van aard is. Als er
iets is dat Messiaen als weinig anderen beheerste, dan is dat de tijd naar
zijn hand te zetten in een even vanzelfsprekende als ondoorgrondelijke muzikale
structuur. Eenvoud en complexiteit, naïviteit en mysterie. Messiaen was een
even intelligente als kinderlijk naïeve tovenaar. Zijn composities hebben zeker
de laatste kwart eeuw steeds meer het uiterlijk van klinkende bidsnoeren
gekregen, nu eens introvert dan weer geëxalteerd, en steeds zichzelf herhalend.
De kracht van oerstructuren (voorlopers en varianten van de lai) vervat in de
geciviliseerde wellust van riante harmonisaties en orkestraties.
De
vergelijking met gebedskralen is geen toevallige. Messiaen hield van kettingstructuren,
meestal zeer direct, soms opgestapeld in meerdere elkaar kruisende lagen. Maar
steeds weer is de gevarieerde herhaling de kern van zijn betoog. De ene kraal
genereert de volgende, in steeds wisselende kleuren met steeds wisselende
oppervlakte structuren, maar ook steeds hetzelfde. De omvang van de kralen
bepaalt in hoge mate de lengte van een gehele compositie, hoewel soms ook
omgekeerd evenredig, zoals in Saint François d'Assise, waar ontelbare
korte segmenten, als een somtijds eindeloze litanie de revue passeren en
tenslotte meer dan vier en een half uur muziek opleveren. Messiaen vertelt
bijna altijd verhalen, in zekere zin zoals middeleeuwse anonieme kunstenaars
de verhalen uit de Bijbel in gebrandschilderde ramen hebben vastgelegd. De
relatie tussen kerk en wereld, tussen Messiaens Katholicisme en alles wat hij
gecomponeerd heeft, dringt zich opnieuw op. Ook hier dus neemt de muziek van
Messiaen een vaak eenzame ethische positie in. Een middeleeuwer in de moderne
wereld ‑ het conflict dat hieruit voortvloeit kenmerkt de essentie van
Messiaens kunst.
VII. De
natuur, de vogels
Zijn liefde voor de natuur wist
Messiaen eveneens tot bronnen in zijn jeugd terug te voeren. " Mijn
herinneringen gaan terug tot de tijd toen ik zo'n jaar of veertien, vijftien
was, toen ik naar de Aube ging, naar tantes van mij die een zeer originele
boerderij hadden met beeldhouwwerken van een van mijn ooms, een bloementuin,
een boomgaard, koeien en kippen. Van alles wat. En om mijn gezondheid te
sterken stuurden mijn leve tantes mij er op uit om op een kleine kudde koeien
te passen. Het was echt een heel kleine kudde: er waren slechts drie koeien...
Het landschap van de Aube is bijzonder mooi en eenvoudig: het uitgestrekte
land, de grote weilanden omzoomd met bomen, de prachtige zonsop‑ en
ondergangen en vele vogels. Daar heb ik voor het eerst de liederen van de
vogels opgeschreven... De verschijningsvormen van de natuur zijn in feite
fantastisch mooi en rustgevend. Het werk als vogelkundige was voor mij niet
alleen een versterkend element in mijn zoeken naar muzikale schoonheid, maar
sterkte ook mijn gezondheid. Waarschijnlijk heb ik dankzij die werkzaamheden
ook het hoofd kunnen bieden aan de narigheden en moeilijkheden van het
leven."
De
natuur is voor Messiaen het bewijs van de alomtegenwoordigheid van God op
aarde. En dan doelt hij zeker niet uitsluitend op de 'hemelse' natuur, de brug
tussen hemel en aarde, de vogels. Een dergelijke symboliek heeft ook geen
enkele rol gespeeld bij de keuze, de innerlijke dwang, om zich met zoveel vuur
aan het gezang van de vogels te wijden. Volgens Messiaen zijn de vogels echter
zijn belangrijkste leermeesters geweest. De vogels zijn de grootste en
veelzijdigste musici op aarde.
Vanaf
de oorlogsjaren 1939/45 heeft Olivier Messiaen vele duizenden vogelgezangen
opgetekend en omgewerkt naar ons gelijkzwevende toonsysteem. "Ik heb de
gezangen van de vogels op twee manieren gebruikt. Enerzijds om te proberen een
zo exact mogelijk muzikaal portret te maken, anderzijds, tegenovergesteld daaraan,
door het lied van een vogel als vervormbaar materiaal te gebruiken. (...) Een goed voorbeeld van het eerste geval
vind je in mijn Catalogue d'oiseaux voor piano, waarin ik geprobeerd heb het
gezang van een bepaalde vogel uit een bepaalde streek weer te geven, omgeven
door zijn leefgenoten en de verschijningsvormen van zijn gezang op de
verschillende uren van dag en nacht. Dat alles begeleid door harmonisch en
ritmisch materiaal dat de geuren en kleuren aangeeft waarin die vogel
leeft."
Op
dezelfde manier ontstonden naast de Catalogue d'oiseaux ook de Reveil
des oiseaux, Oiseaux exotiques, Chronochromie (met op enkele
plaatsen maar liefst achttien verschillende vogels door elkaar) en verscheidene
andere muzikale volières, de ene kleuriger dan de andere. Soms is Messiaen niet
in staat geweest boven die vogelgeluiden uit te componeren. Dan bleef hij niet
meer dan een ervaren verzamelaar met een indringend intellect en een grote
overtuigingskracht. Na 1950 werd dat laatste aspect des te opvallender toen
zijn harmonische taal verregaand veranderde en Messiaen met quasi‑atonale
akkoordopeenvolgingen ging experimenteren. De kleurschakeringen van de
aaneengeregen kralen zijn dan minder uitgesproken en op het oor ook niet altijd
even duidelijk te onderscheiden. En voor de niet in de ornithologie onderlegde
luisteraar levert de bonte opeenvolging van vogeltjes 'aller landen' te weinig
houvast om een hanteerbaar 'beeld' van de muziek in zijn geheugen op te slaan.
Maar
deze 'derde' creatieve periode in zijn leven is tenslotte door een vierde
opgevolgd. De vogelgeluiden in bijvoorbeeld Des canyons aux étoiles en
nog meer in de opera Saint François d'Assise zijn zo vanzelfsprekend en
natuurlijk in een opvallend directe en kleurige harmonische, ritmische en structurele
taal ingevoerd, dat zelfs gedachten aan volières zich nauwelijks meer opdringen.
De vogels staan als symbolen ten dienste aan een hogere boodschap, een
natuurbeschrijving of een prachtig ingekleurd heiligenleven. Toch heeft
Messiaen het ook in deze latere werken niet kunnen laten om zo nu en dan in
'plaatjesschieterij' te vervallen: de vogeltjes die Christus of Sint Franciscus
indertijd gehoord zouden kunnen hebben, zijn dan niet meer dan gevederde
vriendjes ter opluistering en onderstreping van de 'waarheid' van het geschilderde
moment. Ze dienen dan als bepaald naïeve bewijslast voor vermeende
authenticiteit.
VIII. De
leraar
In wezen is het niet zo moeilijk
kritiek uit te oefenen op het werk van Messiaen en dat is sinds 1930 regelmatig
gebeurt. Maar elke kritiek treft niet alleen het genoteerde en klinkende werk
als zodanig, maar ook de mens Olivier Messiaen. Inderdaad, Messiaen
componeerde zoals een rozenstruik rozen voortbrengt, met doornen en al, maar
vooral met een overvloed aan kleurige en geurige bloemen. Messiaen als
Katholiek, als ornitholoog (hij kon naar eigen zeggen meer dan vijfhonderd
vogelgezangen direct onderscheiden en determineren), als ritmicus, als
structuralist, als synestheticus, als mens onder de mensen. Maar Messiaen was
meer. Een uitmuntend organist, een inspirerend leraar, een theoreticus met een
grote scherpzinnigheid, een dichter (evenals Wagner maakte hij al zijn teksten
zelf), kortom een van Frankrijks grote geesten.
Messiaen
heeft door de jaren heen honderden leerlingen gehad. De meesten volgden zijn
boeiende analyseklassen aan het conservatorium van Parijs. Velen ook de
compositieklas die hij sinds 1966 tot zijn pensionering in 1978 heeft gehad. En
steeds weer zullen ze verbaasd geluisterd hebben naar deze ongekend veelzijdige
man. Alles wat maar enigszins met muziek te maken heeft ‑ en dat is bijna
alles wat je maar bedenken kan ‑ wordt door hem aan dwingende,
chirurgische analyses onderworpen: muziek van heden en verleden, van oost en
west, van gregoriaans, van Indiase en Japanse muziek, tot het werk van zijn
leerlingen, die vaak veel geavanceerder zijn dan hun leermeester. Orkestratie,
instrumentatie, melodieleer, vormenleer, ritmiek; het gehele repertoire werd
systematisch door hem behandeld.
Om
het fenomeen van de tijd beter te kunnen uitleggen, ontwikkelde Messiaen een
filosofie van de Tijd (die hij jammer genoeg nooit gepubliceerd heeft, evenals
zijn kleur/harmonie-tabellen) en gaf les over de geschiedenis van het ritme van
de Indiase en antieke Griekse muziek via het gregoriaans en Claude Le Jeune tot
en met zijn eigen werken en bijvoorbeeld de Tweede Pianosonate van zijn
leerling Pierre Boulez. In zijn analyseklassen behandelde hij alle pianoconcerten
van Mozart, alle pianosonates van Beethoven, de opera's van Wagner, alle
liederen van Debussy, maar ook Boris Godoenow, Pelléas et Mélisande
en Wozzeck. Een zee van kennis werd zo jarenlang over zijn studenten uitgestort.
Tot zijn opvallendste leerlingen behoren Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen,
Toru Takemitsu, Yannis Xenakis, Ton de Leeuw, Jean Barraqué, Gilbert Amy,
Makoto Shinohara, Paul Mefano, George Benjamin en natuurlijk zijn tweede vrouw,
Yvonne Loriod.
"Zij
was mijn eerste leerlinge. Zij had voor alles een gave. Zij was toen al een buitengewoon
pianiste, maar zij was ook begaafd in harmonie, compositie, ritme en
poëzie." Zij werd zijn belangrijkste en meest fervente vertolkster, zijn
steun en toeverlaat. Voor haar schreef Messiaen sinds 1942 zijn complete pianorepertoire,
alle vogelconcerten met niet zelden de kleine zo goed gebekte Loriot, de
wielewaal, op een prominente plaats. Door de ernstige ziekte van zijn eerste
echtgenote, de violiste en componiste Claire Delbos, die in de oorlog
gehospitaliseerd moest worden en na een langdurig lijden pas in 1959 is
overleden ‑ Messiaen sprak reeds eerder over de moeilijke tijden van
eenzaamheid (hij is immers voor God getrouwd), die hij slechts door het
verzamelen van vogelgezangen heeft kunnen overkomen ‑ , heeft hij twintig
jaar moeten wachten voor hij in 1962 met Yvonne Loriod in het huwelijk kon
treden.
Ondanks
zijn vele leerlingen heeft Messiaen geen school gemaakt. Zijn onderwijs is
altijd zozeer op de individuele ontwikkeling van elke leerling gericht
geweest, dat van een duidelijke 'voortgaande' lijn vanuit de muziek van
Messiaen geen sprake is, tenzij wellicht ten aanzien van de klankkleurgevoeligheid
die bij vele Messiaen‑pupillen is terug te vinden. Daartegenover staat
echter dat er wel een doorgaande lijn is vanuit de mens Messiaen. Door zijn
grenzeloze nieuwsgierigheid en veelzijdigheid heeft Messiaen meer dan veertig
jaar lang de muzikale jeugd geleerd voor alles open te staan, elke nieuwe
techniek, elk nieuw uitdrukkingsmiddel op zijn muzikale waarde te beoordelen.
Hij heeft hen geleerd geen onderscheid te maken tussen oud en nieuw, oost en
west, eenvoud en complexiteit, zolang dat alles maar een overkoepelend doel
dient, namelijk datgene wat je met en in muziek te zeggen hebt. Messiaen was
kortom een pedagoog zonder school maar met een geestelijk zeer volle portefeuille,
die hij opvallend gul met een ieder deelde, behalve waar het zijn eigen nieuwe
projecten betrof ‑ die bleven geheim tot het moment dat de partituur
geheel voltooid en speelklaar was.
Olivier
Messiaen is zijn leven lang een unieke componist gebleven; iets wat
tegenwoordig van niet zoveel componisten gezegd kan worden. Hij was een
eenling, maar geen eenzaam mens. Hooguit een eenzame componist; zoals elke
componist. Zijn onvervangbare uniciteit, de oprechtheid in alles wat hij doet
en denkt, scherpzinnig of naief, en zijn fabuleuze beheersing van alle facetten
van het vak verschaften Messiaen bij leven een belangrijke wissel op de
eeuwigheid via zijn zo oorspronkelijke, onvervreemdbare, intense en kleurige
muziek.
Utrecht/Hilversum, 1980/1986/1992
Post Scriptum:
MESSIAEN
Een blijmoedige middeleeuwer in
de 20e eeuw:
+ het gesloten universum van de
middeleeuwer
+ alles sluit in elkaar: zijn
wereldbeeld, zijn theorie, zijn
uitdrukkingskunst.
+ de theoretische basis komt
voort uit zijn universum, dus alles wat hij
componeert past daar vanzelfsprekend in.
+ daardoor valt er ook niets
buiten
+ invloeden van buitenaf,
Messiaen is een ecclecticus, dringen binnen als het zonlicht door de ramen van een kathedraal.
+ De luisteraar moet zich in de
muziek van Messiaen dringen voor begrip en
stuit steeds weer tegen de grenzen van dat gesloten universum.
+ Tegelijkertijd is de
overtuigende naiviteit waarmee Messiaen het een en ander verklankt en overdraagt zo innemend,
dat het luisteren geen last is.
+ En tenslotte schept het
gesloten universum van Messiaen zijn eigen wereld met een eigen tijd en symbool/beeldvorming.
Hierdoor blijft de luisteraar toch een buitenstaander.
+ Bij Messiaen kom je oren, ogen
en begrip te kort om alles te kunnen
bevatten.
Messiaen en zijn muziek:
a. Messiaen als zichzelf documenterend componist (Technique de mon langage)
b. De mystiek en de mystificatie. Messiaen vertelt alles en zegt niets.
c. De problemen rond de theologie,
de relatie oost/west en de kleuren.
Weten en horen. Muziek als symbool. Muziek als symfonisch gedicht. Muziek en dat wat buiten de muziek staat.
d. Messiaen de theoreticus
e. Messiaen, een stamvader zonder volgelingen.
f. Messiaen, een middeleeuwer in
de 20e eeuw, opgesloten in zijn eigen religieuze en gestyleerde wereld, zoals
een schilder in glas in loodramen de wereld naar zijn hand zet. Want de echte
wereld is te werelds om in muziek om te zetten. Zelfs de theoreticus Messiaen
is een middeleeuwer: voor hem zijn de waarheden van het geloof en de
theoretische basis van zijn eigen muziek een en de zelfde (Quadrivium).
O sacrum convivium!
bouscarle=tuinfluiter
in quo Christus sumitur: of Cetti's Warbler
recolitur memoria passionis ejus:
mens impletur gratia:
et futurae gloriae
nobis pignus datur,
alleluia.
Het postscriptum erin verwerken,
vervolgens nog enkele stukken interview en andere uitleg, waar tenminste nodig,
en wellicht hier en daar ook nadere informatie over bijzonder stukken van
Messiaen en anderen in kleine intermezzi....